Beet
Door: Heleen Smit op 11 mei 2010

De deurbel ging, terwijl ik in de badkamer mijn nieuwe kapsel stond te bewonderen. Het voelde heerlijk, zo’n nieuwe look. Dat Edwin het verafschuwde, maakte het er alleen maar beter op.
Ik woelde nog even door het opgeknipte en donkerbruin geverfde haar en sprintte de trap af. Nog voordat ik beneden was, stond Misty te keffen bij de voordeur. Terwijl ik opendeed, duwde ik het hondje aan de kant, zodat ze niet zou ontsnappen. Voordat ik kon zien wie er op de mat stond, sloeg de deur naar binnen, keihard tegen mijn wang. Ik deinsde terug, een hand greep me bij mijn keel en voordat ik besefte wat er gebeurde, stond ik met mijn gezicht tegen de muur.
‘Waag het eens te gaan gillen,’ zei een zware mannenstem dreigend in mijn oor. Ik hoorde voetstappen van een tweede persoon in de gang. De voordeur werd gesloten en Misty hield na een korte jank op met blaffen.
‘Wat gebeurt er?’ wist ik uit te brengen. Ik hoorde iemand de trap opgaan, terwijl mijn aanvaller me nog steeds tegen de muur drukte. Boven hoorde ik heel kort lawaai en een schreeuw. Er viel iets zwaars op de grond.
‘Hoeveel mensen zijn er in huis?’ vroeg mijn belager.
Hij kneep hard in mijn nek toen ik niet meteen antwoordde. Verschrikt gilde ik.
‘Geef antwoord. Hoeveel mensen zijn er?’
‘Alleen mijn man en ik,’ zei ik terwijl er tranen in mijn ogen sprongen.
Met zijn hand nog steeds stevig om mijn nek duwde de man me de woonkamer in en drukte me in de stoel naast de haard. Ik greep de leuningen beet, mijn vingernagels boorden zich diep in de zachte stof. Een man met een pistool in zijn hand, zijn gezicht verborgen achter een bivakmuts, leidde Edwin de kamer binnen. Mijn hart bonsde in mijn keel en ik voelde hoe zweet de stof van mijn blouse onder mijn oksels doorweekte.
‘Wat moeten jullie hier?’ Edwin hijgde alsof hij net had getennist. Er zat bloed op voorhoofd en zijn anders zo zorgvuldig in model gebrachte haar zag eruit alsof hij net uit bed was gestapt. Met een verwilderde blik in zijn ogen keek hij mij aan. Hij viel op de bank toen de gemaskerde man hem een duw gaf. Misty zat in haar mand aan haar pootje te likken. Ze had vast een trap gekregen van die rotzak die nu alle gordijnen sloot.
Iets kouds in mijn nek deed me opveren, maar een hand op mijn schouder maakte dat onmogelijk. Door mijn tranen heen zag ik de glinstering van het lemmet van een mes. De punt ervan drukte in mijn vel en ik huiverde. God, wat gebeurde er?
‘Luister, ik heb wat geld in huis. Het is niet veel, maar neem het mee. Pak de tv, neem de auto mee, maar laat ons alsjeblieft met rust.’
Ik keek op van de klagelijke toon in Edwins stem. Was dit dezelfde man die anders zo zelfverzekerd andere mensen vertelde wat ze moesten doen? Dezelfde man die eerder vanavond volledig door het lint was gegaan bij de aanblik van mijn haar?
De man die achter mijn stoel stond en het mes tegen mijn keel drukte, lachte schamper. Het was een onprettig, eigenlijk ronduit beangstigend geluid.
‘Denk je nou echt dat we hier komen binnenvallen voor een paar van die rotcenten? Of voor zo’n lullig sieraadje?’
De punt van het mes gleed door mijn hals naar beneden, beurde de gouden ketting met het diamanten hangertje dat om mijn hals hing op en sneed het met een ruk door. De kreet van pijn en angst die uit mijn keel ontsnapte, werd gesmoord door een leren handschoen.
‘Blijf van mijn vrouw af!’
Weer dat nare lachje. ‘Kun je het niet hebben dat ik aan je eigendommen zit?’
‘Wat moet je van ons?’ siste Edwin met op elkaar geklemde kaken. De verwilderde blik had plaatsgemaakt voor een woedende.
Mijn ademhaling versnelde en werd onregelmatig. Als hij ze maar niet boos maakte. Dat mes, zo dicht op mijn keel. Laat Edwin alsjeblieft meewerken.
‘Jij gaat ons rijk maken, meneer de bankdirecteur. Jij gaat met een van ons eens een kijkje nemen hoeveel geld er nou in zo’n bankkluis ligt.’
Ik sloot mijn ogen toen ik de verbeten blik van Edwin ontmoette. Die blik, die ik niet langer kon aanzien, was een van de redenen dat ik begreep waarom ik was gevallen voor de charmes van Hans. Die zou nooit zo minachtend naar me hebben gekeken, alsof dit alles mijn schuld was, alleen al omdat ik de deur had opengedaan.
‘Jouw vrouwtje blijft hier en als jij netjes doet wat wij jou opdragen, wacht ze in één stuk tot je thuiskomt.’
‘Dat zal niet gaan.’ Edwin schudde heel kalm zijn hoofd, zag ik toen ik mijn ogen weer openden.
‘O nee? Heb je liever dat we je vrouw meteen in stukjes hakken? Geef je niet zo veel om haar?’
De punt van het mes dwaalde af over mijn borstbeen, richting mijn decolleté. In stilte vervloekte ik de blouse die ik had aangetrokken. Ik had vanochtend nog staan twijfelen tussen een keurig, alles bedekkend coltruitje, of deze sexy, uitdagende blouse die ik gisteren had gekocht. Doodsbenauwd en onbeweeglijk liet ik het gebeuren. Ik durfde nog niet eens te ademen uit angst voor dat mes, bang dat het diep in mijn vlees zou worden gestoken.
‘Ik kan die kluis niet openen. Er zit een tijdslot op. Hij gaat pas morgenochtend open.’
‘We hebben alle tijd van de wereld. Als mevrouwtje nou eens koffie zet voor ons allemaal, gaan we er eens rustig over praten hoe meneer de bankdirecteur dit gaat aanpakken.’
Het mes werd weggehaald en de hand die op mijn schouder drukte, verdween.
‘In de benen, mevrouwtje. Vooruit.’
Het duurde even voordat ik besefte wat er van me werd verwacht.
‘Komt er nog wat van?’
Langzaam stond ik op en voelde dat mijn trillende benen me maar nauwelijks konden dragen. Ik haalde mijn neus op en zette een pas in de richting van de keuken. Ineens stond de man met het mes vlak voor me. Voor het eerst sinds de overvallers binnen waren, kruiste zijn blik met de mijne. Ik beet op mijn lip om niet keihard te gaan huilen bij het zien van de twee kille, donkerbruine ogen die me door de gaten in een zwarte bivakmuts aankeken. Hij stak zijn hand uit naar mijn gezicht, dat ik snel afwendde. Dat kon niet voorkomen dat zijn vingers mijn kin ruw beetpakten en me zo dwongen hem aan te kijken.
‘Aan het werk. En waag het eens iets uit te halen.’
Ik sloeg mijn blik neer en snelde de kamer uit toen hij me losliet. Een moment schoot er door me heen dat ik moest maken dat ik wegkwam. Ik stond alleen in de gang, kon zo de voordeur lostrekken en er vandoor gaan. Maar dan zat Edwin nog met twee gewapende mannen binnen. En hoewel ons huwelijk allang niet meer zo liefdevol was als een paar jaar geleden, kon ik hem toch niet zo maar achterlaten. Wie weet hoe erg de overvallers hem zouden toetakelen als ik ontsnapte.
Als een robot verrichte ik de handelingen die nodig waren om koffie te krijgen uit het luxueuze koffiezetapparaat. Ik vulde met klamme handen de machine met water, koffiebonen, pakte een dienblad, zette er vier koffiekopjes op en wachtte tot het apparaat warm was. Jezus, wat idioot. We werden bedreigd door twee mannen met wapens en ik stond hier gewoon koffie te zetten. Hoe hield ik dit vol?
En dan te bedenken dat ik vorige week, toen Edwin voor de bank een paar dagen weg was, op het punt had gestaan hem te verlaten. Als Hans me niet had tegengehouden, had ik nu veilig bij hem op de bank gezeten. Maar Hans vond het nog te vroeg. Hij vond het verstandiger de scheidingsprocedure in gang te zetten zonder dat Edwin wist dat ik hem bedroog. Volgens Hans kon ik zo meer geld krijgen, want anders zouden we het samen niet breed hebben in ons nieuwe leven. En ik wilde toch niet Edwins bank overvallen om geld los te krijgen van hem, had hij gegrapt.
Die gedachte deed het bloed in mijn aderen bevriezen. Een koude golf trok door mijn lijf en ik rilde. Hans, die altijd grapjes maakte over Edwins werk, over hoe makkelijk het zou zijn als we over al dat geld in die kluis konden beschikken. Ik greep de rand van het aanrecht beet om niet onderuit te gaan.  
Hoe zou je het doen, had Hans wel eens gevraagd. Hoe zou je aan al dat geld kunnen komen? Ik moest toch veel van de beveiliging afweten, met een bankdirecteur als echtgenoot, had hij gesuggereerd.
‘Ik heb er geen idee van,’ had ik geantwoord. Alsof Edwin ook maar de kleinste details over zijn werk met mij besprak. Maar dat die beveiliging goed was, wist ik wel. Edwin schepte er altijd over op dat er nog nooit geld uit zijn bank was verdwenen.
‘Dan moet ik er maar een keer met een pistool naar binnen,’ had Hans lachend gezegd. ‘Eens zien of Edwin dan nog kan opscheppen.’
‘Nee joh,’ zei ik, meegaand in het spel, ‘als je veel geld wilt buitmaken, moet je iemand van het personeel thuis overmeesteren en dan ‘s nachts dwingen de kluis open te maken.’ Dat was de enige manier, wist ik. Het was een collega-bankdirecteur van Edwin overkomen en de daders waren met een flinke smak geld ontkomen, zo vertelde ik hem.  
Lachend had hij me op mijn schouder geklopt. ‘Dus dat is de manier waarop ik gezellig samen met jou en je man thuis een kopje koffie kan drinken.’
‘Blijf je hier de hele avond zo staan?’
Een van de kopjes glipte uit mijn handen en bleef wonder boven wonder heel terwijl het over de grond rolde en tegen de voet van de overvaller die de leiding leek te hebben tot stilstand kwam.
Hij stond ontspannen tegen de deurpost geleund, alsof het doodnormaal was dat ik koffie zette voor zo’n griezel met een masker over zijn hoofd en een mes in zijn hand.
‘Zou je dat niet eens oprapen?’      
Zonder hem aan te kijken bukte ik en pakte het kopje van de grond. Toen ik overeind kwam, was zijn hand daar weer, om mijn keel. Ik haatte het beeld van die vreselijke zwarte muts met de drie gaten waardoor die boze, fonkelende ogen te zien waren samen met de in een strakke streep vertrokken mond.  
De uiteinden van de streep krulden licht omhoog. ‘Wat denk je, gaat ons bankdirecteurtje wel zijn best doen voor jou?’
Er trok een rilling langs mijn ruggengraat en ik probeerde de gedachte dat Hans hier iets mee te maken had, te verdringen. Het was gewoon niet mogelijk. Mijn Hans was niet in staat om zoiets wreeds uit te voeren.
En toch liet de gedachte me niet meer los. Die andere overvaller had ik nog geen een keer recht aan gekeken. Ik had zijn stem niet gehoord.
De man liet zijn onaangename lachje weer horen en liet me los. ‘Schiet nou maar op.’
Snel vulde ik onder zijn waakzame blik met trillende handen de kopjes en liep voor hem uit naar de woonkamer. Als in een roes deelde ik de kopjes uit en verloor mezelf in malende gedachten terwijl de leider samen met Edwin uiteen zette hoe ze de bank zouden gaan beroven.
Nog steeds zei de overvaller die Edwin had overmeesterd geen woord. Hij zat op de bank, zijn ellebogen steunend op zijn knieën, het pistool losjes in zijn handen, zijn blik op de grond.
Naarmate de tijd verstreek, raakte ik er steeds meer van overtuigd. En het deed me ongelofelijk veel pijn. Hoe had ik me zo kunnen vergissen? Waarom was ik zo hals over kop verliefd op hem geworden? Ik had me laten verleiden door het gevoel dat ik nog meetelde in deze wereld. Dat er nog mannen bestonden die mij aantrekkelijk vonden. God, wat stom. Er was niets meer te bekennen van de euforische stemming die ik eerder op de avond nog had gevoeld.
De leider gebaarde naar de andere overvaller en samen liepen ze naar de gang. Op gedempte toon hoorde ik ze met elkaar overleggen.
‘Gaat het wel?’ vroeg Edwin met meer bezorgdheid dan ik in jaren van hem had gehoord.
‘Ja hoor, prima,’ zei ik en kon niet voorkomen dat het er sarcastisch uit kwam.
Edwin leek er geen acht op te slaan. ‘Als ik straks weg ben, doe dan wat hij zegt, oké? Maak hem niet onnodig boos. We komen hier wel doorheen. Er gebeurt je niks, dat beloof ik je.’
Hoe kon hij zoiets beloven? Hoe kon hij garanderen dat dat mes niet gebruikt zou worden? Dat ze ons gewoon zouden laten gaan als de buit binnen was?
De overvallers keerden terug in de woonkamer. De stille pakte een stoel van de eethoek en zette die midden in de kamer. De leider kwam op mij af met een rol tape in zijn handen. Hij trok me overeind en sleepte me naar de stoel. Als een slappe pop liet ik me erop drukken.
‘Doe voorzichtig met haar!’ riep Edwin verontwaardigd uit. ‘Het heeft geen enkele zin om zo met haar om te gaan. Ik heb toch gezegd dat ik doe wat je wilt?’
‘Zitten en je bek dicht, jullie allebei,’ snauwde de leider. ‘Handen naar achter.’
Mijn polsen werden aan de houten spijlen van de rugleuning getapet. Het kon me niets schelen, het enige wat me bezighield, was het verraad van Hans. Waarom had ik hem zo nodig moeten vertellen hoe hij het beste Edwins bank kon beroven? Ik had hem verdomme zelf het idee aan de hand gedaan, stomme trut die ik was.
Er werd weer een stuk tape afgescheurd en voordat ik kon tegenstribbelen, zat ik in het donker.
‘Hé, dat is helemaal niet nodig,’ protesteerde Edwin. ‘Mijn vrouw werkt wel mee.’
‘Daar krijgt ze niks van hoor, een beetje tape voor haar ogen.’
Ik schudde tevergeefs met mijn hoofd om dat kriebelende plakband weg te krijgen.
‘Zo, tijd voor de volgende ronde,’ hoorde ik de leider zeggen.
Ik voelde twee handen op mijn knieën en probeerde ze af te schudden door mijn benen weg te draaien.
‘Rustig, ik ben het.’
Ik wist niet dat Edwin zo liefdevol kon praten tegen iemand anders dan zijn secretaresse.
‘Het komt allemaal goed. Voor je het weet is het voorbij. Houd je taai.’
Een vluchtige kus op mijn lippen en ik werd alleen gelaten. De voordeur ging dicht, Edwins auto werd gestart en het werd stil. Akelig stil.
Waren beide overvallers weg? Hadden ze mij achtergelaten? Mijn mond was niet dicht getapet. Ik kon schreeuwen, om hulp roepen, in de hoop dat een toevallige voorbijganger me zou horen.
Voetstappen op de houten vloer voorkwamen dat ik het op een gillen zette. Er was toch iemand achtergebleven en uit het feit dat hij zweeg, maakte ik op dat het niet de leider was. Was het Hans? De overvaller had haast angstvallig mijn blik vermeden, zijn postuur was gelijk aan dat van Hans.
‘Hans, ben jij dat? Vuile klootzak, ik vertrouwde jou.’
‘Ssst.’
‘Hoe kun je me dit aandoen? Ik dacht dat we om elkaar gaven.’
‘Ssst.’ De vermaning klonk nu vinniger.
Een hand in mijn nek, vingers die zachtjes  maar krachtig mijn nekvel streelden.
‘Blijf met je poten van me af, klootzak!’
Een gniffel en een tweede hand.
Tranen prikten achter het tape en ik schudde met mijn schouders in een poging de handen af te weren.
‘Hier kom je niet mee weg, Hans, hier ga je voor boeten.   
‘O ja?’ fluisterde hij op een spottend toontje in mijn oor. ‘Denk je dat?’
Ineens sloeg de twijfel toe. Was dit de stem van Hans? De man die alleen maar lieve dingen in mijn oor fluisterde, op een zachte, vriendelijke toon?
Wat wist ik eigenlijk over Hans? Hij vertelde nooit iets over zichzelf, waar hij vandaan kwam, in wat voor gezin hij was opgegroeid. En onze ontmoeting, hoe toevallig was die geweest? Hoe groot was de kans dat ik hem toevallig, een dag nadat hij me geholpen had met de lekke band van mijn fiets, weer tegenkwam? Hij had het zorgvuldig gepland en ik was er met open ogen ingestonken, hunkerend naar een beetje liefde, terwijl hij alleen maar uit was op geld.   
De handen lieten me godzijdank los en ik hoorde hoe hij op de bank ging zitten, de tv inschakelde en rusteloos van het ene naar het andere kanaal zapte.
Ik huilde tot ik me zo uitgeput en leeg voelde dat het me moeite kostte om overeind te blijven. Hij zei niets meer en af en toe vergat ik zelfs dat hij er nog was.
Na wat eeuwigheid leek, hoorde ik het vertrouwde geluid van Edwins auto op de oprit.
Gespannen luisterde ik naar de voordeur die openging, de gedempte stemmen in de hal, voetstappen op de trap en na een paar minuten de voordeur die weer open en dichtging. Toen was het stil.
 
‘Het was Hans. Het was Hans.’ Ik bleef het maar herhalen toen Edwin het plakband voor mijn ogen verwijderde en me losmaakte.
‘Wie is Hans?’ vroeg hij, maar ik kon geen antwoord geven. Ik duwde hem aan de kant, stond op en ging zo snel als mijn wankelende benen me konden dragen naar het toilet in de gang. Ik struikelde over de drempel en brak de val met mijn handen op de toiletbril. Meteen golfde mijn maaginhoud omhoog en ik spuugde totdat er niets meer kwam. Tranen vermengden zich met speeksel en mijn longen vulden zich hortend en stotend met lucht. De kou die via de vloertegeltjes door me heen trok, deed me klappertanden en ik huilde met mijn voorhoofd steunend op de toiletbril.
Het geluid van sirenes sneed door me heen, ik hoorde hoe de hal zich vulde met mensen. Iemand gaf me een natte doek aan en trok me voorzichtig overeind.
‘Het is allemaal mijn schuld. O god, het spijt me zo,’ zei ik toen ik opkeek tegen de vriendelijk ogende politieagente die me plaats liet nemen op de wc-pot. Hoe kon ik ooit Edwin weer onder ogen komen als hij zou horen hoe het zat? Hoe kon ik me ooit weer op straat vertonen als iedereen in het dorp zou weten dat wat er gebeurd was, mijn schuld was? En hoe kon ik ooit mezelf in de spiegel aankijken, wetende dat ik al die narigheid over mezelf had afgeroepen? Ik schaamde me zo.
De agente trok de vochtige doek uit mijn handen die doelloos in mijn schoot lagen en depte mijn gezicht ermee schoon. ‘Kunt u mij vertellen wie Hans is en waar we hem kunnen vinden?’ vroeg ze op een rustige toon.
‘Hans is mijn...’ Ik kreeg het woord niet over mijn lippen en mijn ademhaling verviel weer in ongecontroleerd hyperventileren.
Toen het me uiteindelijk lukte te vertellen waar de politie Hans kon vinden, werden Edwin en ik meegenomen naar het politiebureau, zodat ons huis op sporen onderzocht kon worden. Tijdens het verhoor vermeed ik Edwins blik. Pas uren later, toen we weer in het huis waren dat niet langer als thuis voelde, barstte de bom.
Edwin was boos. Zeg maar gerust woedend. Er was geen spoortje meer te bekennen van de bezorgdheid die hij eerder die nacht voor mij ten toon had gesteld. Ik weet niet wat hem bozer maakte: dat ik hem met een andere man had bedrogen, of het feit dat door mijn schuld zijn bank was beroofd. Want dat ik schuld aan de overval had, stond voor hem als een paal boven water.
Hij wilde scheiden, zei hij. Ik mocht tot ik iets anders had gevonden nog wel in het huis blijven wonen, maar slapen deed ik maar in de logeerkamer. Hij had mij zo vaak bedrogen, maar daar werd niets over gezegd. Blijkbaar werd dat wel geaccepteerd, maar was het een schande als je als bankdirecteur belazerd wordt door je vrouw en dan ook nog met een bankroof als gevolg. Ik bracht nergens iets tegenin, gekwetst als ik was, door de beide mannen in mijn leven.
 
Een klap in mijn gezicht had niet harder aan kunnen komen dan dit.
Edwin had een geamuseerde blik in zijn ogen toen hij het vertelde, zijn armen triomfantelijk over elkaar geslagen, terwijl ik aan de eettafel zat met het gevoel dat een stomp in mijn maag alle lucht uit mijn longen had geperst.   
De daders waren gepakt. De twee werkelijke daders. Ze waren betrapt terwijl ze een volgend doelwit observeerden. Bovendien had Hans een alibi. Hij was op vrije voeten en van alle blaam gezuiverd. Ik kon wel door de grond zakken. Edwin glimlachte minzaam. Kennelijk vond hij het wel grappig hoe ik mijn minnaar eigenhandig buitenspel had gezet.
En ik was er zo van overtuigd geweest dat hij het had gedaan. Alles wees erop.
De overvaller waarvan ik dacht dat het Hans was, werkte bij de installateur die eerder die week een paar stopcontacten had aangelegd. Ik was alleen thuis geweest toen de man aan het werk was bij ons. Dat verklaarde zijn zwijgen en het vermijden van mijn blik tijdens de overval, bang om door mij herkend te worden.
Een enorm schuldgevoel drukte op mijn borst en werd met de seconde zwaarder.
‘Wat heb ik gedaan?’ prevelde ik. ‘Het spijt me zo.’
Edwin lachte smalend. ‘Je kunt beter je excuses aanbieden aan die minnaar van je. Maar ja, die zal je wel nooit meer willen zien. En ik geef hem geen ongelijk.’
Ik stond met een ruk op. De stoel kletterde op het parket en ik vluchtte de kamer uit. Ik kon geen moment langer Edwins gezelschap verdragen. Terwijl ik de trap op rende, galmde zijn spottende lach nog na in mijn hoofd. Snel propte ik wat kleren en toiletartikelen in een weekendtas. Ik moest hier weg. De voordeur viel met een klap achter me in het slot en het grind van de oprit spoot omhoog toen ik even later mijn auto naar de weg stuurde.
Ik voelde de beschuldigende blikken van de dorpelingen brandden terwijl ik door de hoofdstraat reed. Ik kon ze haast horen denken: daar heb je die vrouw van de bankdirecteur, die zowel haar man als haar minnaar te schande heeft gemaakt.
Doelloos reed ik rond, totdat ik tot mijn schrik ineens door de straat waar Hans woonde, reed. Ik moest afremmen voor de verkeersdrempel die voor zijn huis lag, en maakte de fout bij hem naar binnen te kijken. Hans zat op de bank, met uitzicht op de weg en herkende direct mijn auto, die ik onbewust had stilgezet. Hij stond op, ging met zijn handen in zijn zij voor het raam staan en keek me indringend aan. Zijn woedende blik deed me in elkaar krimpen en tranen sprongen in mijn ogen toen ik eraan dacht hoe lief hij altijd voor me geweest was.
En door mijn stomme verdenking had ik alles kapot gemaakt. Ik wist niet dat een mens zoveel schaamte kon voelen.
Er veranderde iets in zijn uitdrukking. De woede maakte plaats voor een gekwetste blik. Hij schudde zijn hoofd en trok met een wilde ruk het gordijn dicht. De boodschap was duidelijk, ik was hier nooit meer welkom.
Snel drukte ik het gaspedaal in en was binnen een paar minuten het dorp uit. Mijn leven met Edwin was voorbij. Mijn leven met Hans was voorbij. Mijn leven in dit dorp was voorbij. Ik ging hier weg en ik zou nooit, nooit meer terugkomen.

Heleen Smit

Heleen Smit is 26 jaar, werkt als eindredacteur bij een vakblad en schrijven is al jaren haar grote hobby. Haar grote droom is ooit een spannend verhaal van haar hand in de boekenwinkel te zien liggen...



Bezoekersreacties:
Ludieke (53) op 13 mei 2010:
Het leest lekker weg, is spannend, grappige plot.

Catootje (32) op 12 mei 2010:
Pfff spannend... en wel een beetje sneu... Maar 't komt vast goed, ze vind wel weer een nieuwe liefde!! En met leuk haar kom je tenslotte best een eind!!