Private Investigation
Door: Judith van Zoomeren op 24 februari 2012

Op de rand van de zandbak woelden mijn vingers door het warme zand. De staling van de zon was behaaglijk, ondanks dat het al bijna oktober was. Ik strekte mijn benen en leunde voldaan achterover bij de aanblik van mijn dochter Sterre, die enthousiast zand in haar emmertje schepte. ‘Kijk mama!’ riep ze terwijl ze de emmer vol verwachting omgooide. Het rulle zand was droog, vormde geen toren en zakte als een plumpudding in elkaar.
Bij haar volgende poging bleef het resultaat teleurstellend, maar ze liet zich niet snel uit het veld slaan, schepte een ondiepe kuil, ging er in zitten en lachte eigenwijs naar me. Ach, ze hoefde nooit veel moeite te doen om me aan het lachen te krijgen. Alleen de aanblik van haar blonde staartjes en haar blauwe oogjes liet al een glimlach op mijn mond verschijnen. Ik vond haar het allerliefste kind van de hele wereld, dus lachte ik terug.
Ze speelde vaak met ons buurmeisje dat Samira heette en op zich vond ik dat geen probleem. Toch was ik blij dat ze meestal bij ons speelden, want haar moeder liet onze dochters dan helemaal alleen in het park achter ons huis rondhobbelen en ik vond dat onverantwoord; kleine kinderen horen toch niet alleen buiten te spelen? Maar misschien ben ik wel overbezorgd, want mijn dochter zette zonder mij echt geen stap buiten de poort.
Toen ik haar die middag naar de peuterschool bracht vertelde een van de moeders dat er een kinderlokker in de buurt gesignaleerd was. Een of andere enge vent had gistermiddag geprobeerd om een van de meisjes met een mooi praatje mee te lokken. Gelukkig had die griezel weinig succes, want het kind had het eerst op een krijsen gezet en was daarna heel hard weggelopen, maar wellicht zou het hem in de toekomst wel lukken en dan was alleen god getuige van alles wat hij met haar zou uitspoken!
Ik was zo geschrokken van dit nieuws dat ik besloot mijn dochter geen moment meer uit het oog te verliezen. Ik vertelde haar dat niet alle mensen even aardig zijn en prentte haar in vooral niet met vreemde mensen te praten. Sterre snapte wat ik bedoelde, maar ik wist zeker dat ze de ernst van mijn woorden niet begreep. Ik piekerde veel, kon er s‘nachts niet van slapen en in mijn dromen zag ik hoe hij zich aftrok op mijn dochter die lief in de zandbak speelde.
Mijn man vond mijn reactie zwaar overdreven, maar de band die hij met Sterre had was niet zo sterk. Ik vergaf het hem want hij was overdag meestal druk bezig met zijn werk. ‘s Avonds bracht hij haar wel vaak naar bed. Hij had een rijke fantasie, kon mooi voorlezen en dat vond mijn dochter erg leuk. Ik voelde me volmaakt gelukkig als ik ze zachtjes hoorde keuvelen in de slaapkamer en vergat dan dat hij in het weekend totaal geen interesse in haar toonde.
Vanaf die dag was ik geen gewone moeder meer want ik leek meer op een private investigator. Ik noteerde alles wat zich dagelijks in het park afspeelde, hield nauwkeurig bij wie er rondliep en er viel op de meeste mensen niets aan te merken; het waren ouders, grootouders en jonge meiden die bij het kinderdagverblijf werkten.
De enige figuur die ik niet vertrouwde was een oude grijze heer die vaak met zijn hondje in het park wandelde en dan op een bankje naar de kinderen zat te kijken. Zo op het eerste gezicht zag hij er keurig uit met zijn lange grijze overjas, zwarte veterschoenen en door de jaren flink uitgedunde grijze haar, maar ik begon hem steeds meer te wantrouwen en na een poosje wist ik zeker dat hij hier niet met goede bedoelingen kwam. Hij zat daar namelijk wel erg vaak, lachte altijd overdreven als de kinderen iets grappigs deden en als er een bal zijn kant op rolde schopte hij hem, in mijn ogen, net iets te enthousiast terug. Nee, deze man liet, als een wolf in schaapskleren, zijn eigen gezicht niet zien. Zijn ware gedaante was namelijk helemaal niet zo netjes…
Toen ik de volgende dag met Sterre en Samira het park in liep zat hij al op een van de bankjes. De meiden doken lachend de zandbak in, ik ging schuin tegenover hem zitten en zag aan zijn schijnheilige gezicht dat hij niet wist dat ik hem in de gaten hield. Op zich leek zijn gedrag normaal. Hij lachte alleen schaapachtig naar de kinderen totdat hij opeens een zak snoep tevoorschijn toverde.
‘Wie wil er een lolly!’ riep hij luid en alle kinderen kwamen enthousiast aangerend. Ze graaiden allemaal in het zakje, Sterre en Samira wilden natuurlijk ook en de man grijnsde triomfantelijk naar me.
Ik schudde mijn hoofd en riep; ‘Nee, Sterre mag geen lolly!’
Sterre trok zich niets van mijn woorden aan, griste snel een lolly uit de zak en begon fanatiek aan de verpakking te trekken.
‘Jij mag niet Sterre!’ riep ik dwingender.
Mijn dochter keek me kwaad aan. ‘Waarom mag ik nou niet? Ik vind het niet eerlijk! De andere kinderen nemen toch ook?’
‘Dat is slecht voor je tanden Sterre,’ zei ik terwijl ik de lolly uit haar handen griste. Ze begon te janken en er schoot een rotgevoel door mijn hoofd. Het waren gevoelens die ik helemaal niet verdiende. Van mij kreeg ze namelijk nooit lolly’s…
Ik gaf de man een nijdige blik.
‘Sorry mevrouw, ik wist niet dat ze dat niet mocht,’ zei hij schuldbewust en hij sprak met mijn dochter af dat hij de volgende keer iets anders voor haar mee zou nemen.
Je begrijpt dat ik het niet met die afspraak eens was en ik opende mijn mond om te zeggen dat hij helemaal niets meer mee hoefde te nemen, maar het gezicht van mijn dochter klaarde op, dus liet ik het maar zo.
Vanaf die dag wist ik zeker wie de kinderlokker was, maar dat was geen oplossing voor mijn probleem want ik had nog steeds geen bewijs. Hij kon gewoon doen en laten wat hij wilde, verscheen steeds vaker in het park en als hij er niet was popte hij soms zomaar op. Tot overmaat van ramp zocht hij dan steeds vaker contact met Sterre. Hij bakte zandkoekjes met haar en ik zat schijnbaar rustig op het bankje terwijl mijn hersenpan bijna overkookte van woede.
Ik piekerde de rest van de dag en ik werd gek van al dat gepieker, maar op een of andere manier moest ik die klootzak toch weg zien te krijgen? Goedschiks of kwaadschiks; opsodemieteren, dat moest hij en hoe hij dat deed maakte me niet uit. Hij kon toch lekker thuis achter zijn geraniums gaan zitten, en als hij dan toch zo nodig naar buiten wilde waren er meer dan genoeg andere parkjes? Echt, het boeide mij niet waar hij naar toeging. Als hij maar bij Sterre uit de buurt bleef!
Uiteindelijk besloot ik om met hem te gaan praten. Wellicht kon ik hem tijdens een goed gesprek overhalen om zichzelf niet meer in het parkje te laten zien? Helaas kon ik dat niet zomaar even doen; de moeder van Samira kreeg voor roddelen een dikke tien en als zij ons gesprek toevallig zou horen zou ze me met veel plezier voor de hele buurt te kakken zetten.
‘s Avonds om een uur of elf, dat leek me de meest geschikte tijd. Dan liep hij namelijk altijd door onze verlaten, volledig in duisternis verhulde straat. Zijn hond liet meestal een grote vochtige plek achter bij de lantaarnpaal die vlak voor ons huis stond.
Ik plande mijn actie meteen voor die avond, maar detectivewerk is blijkbaar niets voor mij want ik zag de man en zijn hond, ondanks dat ik de straat de hele tijd goed in de gaten hield, die avond niet voorbij komen. Om tien over elf griste ik mijn jas van de kapstok, waarna ik de deur uit stoof en baalde dat ik niet beter had opgelet. Nu moest ik hem gaan zoeken!
De deur viel achter me in het slot en ik rilde van de kou, aan de temperatuur kon je duidelijk voelen dat de herfst in aantocht was dus ik knoopte mijn dunne spijkerjackje dicht. Mijn ogen die eerst moesten wennen aan het duister speurden naarstig door de donkere straat en ontwaarden een schaduw, helemaal in de verte op de hoek.
Ik sprintte over de stoep, riep: ‘Meneer, meneer!’ en gelukkig hoorde hij me want hij keek om. Even later stond ik voor hem en ik wist, ondanks dat ik de woorden meer dan honderdduizend keer in mijn hoofd had afgespeeld, totaal niet meer wat ik moest zeggen. De enige woorden die uit mijn mond vloeiden waren: ‘Goedenavond meneer.’
‘Goedenavond mevrouw,’ antwoordde hij terwijl zijn hand vriendelijk tegen zijn hoed tikte. ‘Waar kan ik u op dit tijdstip mee van dienst zijn?’
‘Tja, wat ik u wil vragen is misschien wel een beetje een raar,’ zei ik twijfelend. ‘Maar ik vraag het u toch… Zou u mijn dochter met rust willen laten?’
‘Wat zegt u? Hoe bedoelt u?’ vroeg de man verbaasd.
‘U moet mijn dochter met rust laten!’ riep ik terwijl ik geen enkele moeite meer deed om vriendelijk over te komen.
De man keek me geschrokken aan. ‘Hoe bedoelt u? Ik begrijp het niet helemaal… Ik doe toch niets verkeerds? Waarom moet ik uw dochter met rust laten?’
‘Doe niet zo onschuldig!’ riep ik terwijl er een vlaag bittere haat door mijn hoofd schoot. Er borrelde irritatie door mijn lichaam, mijn spieren spanden zich aan en mijn hart pompte het bloed razend snel door mijn aderen. ‘Volgens mij begrijpt u het best! Die kinderen moeten gewoon met rust gelaten worden en u moet geen contact meer met ze zoeken. Ze willen namelijk helemaal geen contact! De kinderen niet, ik niet, en mijn dochter al helemaal niet. U moet ons met rust laten!’ ‘Ik heb geen zin in dit gesprek!’ antwoordde de man. Hij perste zijn lippen op elkaar, begon weer verder te lopen en trok nijdig aan de riem van zijn hondje dat vervolgens dreutelig achter hem aanliep.
Ik rende ook achter hem aan: ‘Maar laat u de kinderen nu dan met rust?’ Mijn stem klonk wanhopig, de man versnelde zijn pas en schudde vastberaden zijn hoofd.
‘Nee hoor, natuurlijk niet. Ik ben onschuldig en laat me echt niet door u imponeren hoor!’
Na deze woorden zakte de moed in mijn schoenen. Ik hield mijn pas in, de afstand tussen mij en de man werd langzaam groter en terwijl ik hem nakeek draaide mijn hersenpan als een draaimolen in het rond. Opeens begreep ik dat die klootzak nooit zou stoppen; hij was onaantastbaar, niemand kon hem pakken dus zou hij nooit ophouden! Hoe achterlijk stom was ik wel niet geweest om te denken dat ik hem daartoe zou kunnen bewegen? Ik was daar toch niet toe in staat!
Ik aanschouwde een grote paardenbloem die weelderig tussen de tegels door groeide en zonk op mijn knieën neer. Deze man was als onkruid. Het raasde en tierde gewoon door! Er was niets aan te doen. Alleen onkruidbestrijdingsmiddelen hielpen. Als je dat gebruikte stierf het af, het verschrompelde tot er niets meer van overbleef. Maar helaas was er geen vergif om dit onkruid te bestrijden…
Ik stond op, mijn lichaam rilde van de kou en ik ben er van overtuigd dat ik gewoon terug naar huis was gelopen als mijn oog niet was gevallen op iets dat in het gemeenteperkje lag: Een dikke tak van ongeveer een halve meter lang en 10 centimeter dik daagde me uit, mijn arm strekte zich en even later omstrengelden mijn vingers de vochtige bast. De stam was koud en veel zwaarder dan de basebalknuppels die ik in mijn jeugd altijd gebruikte, maar dat maakte me niet zoveel uit. Ik liep door naar de hoek, hoopte dat de man nog niet ver weg was en oefende ondertussen mijn slag. Ik had mazzel want toen ik de hoek om sloop stond hij vlak voor me. Zijn hondje liet juist een drolletje in het plantsoen vallen.
Na twee vlugge passen stond ik achter hem, de boomstam vloog door de lucht en raakte de man snoeihard op de rechterzijde van zijn hoofd. Gelukkig had de klap het gewenste effect: Hij schreeuwde, viel op de grond en greep vertwijfeld naar zijn oor. Hij keek omhoog en toen hij me zag vloekte hij als een ketter.
‘Dit heeft u verdiend,’ riep ik tevreden terwijl ik mijn armen weer omhoog hief en nog eens toesloeg. Deze keer was mijn slag harder, wellicht kwam dat door de oerkracht die door mijn lichaam raasde. De boomstam roste op het hoofd, de man schudde als een spast en viel vervolgens, slap als een lappenpop, op de stoeptegels neer.
Het hondje, dat eindelijk in de gaten kreeg dat er iets aan de hand was, begon te blaffen en ik keek angstig om me heen. Ik had helemaal niet opgelet of ik wel alleen was. Wellicht had iemand mijn actie gezien, werd ik straks opgepakt en een aantal lange jaren in een cel van 3 bij 3 gesmeten? Ik speurde door de straat, stelde vast dat alles verlaten was, en bevrijde het beestje dat jankend een sprint inzette en met zijn staart tussen de poten in de bosjes verdween. Ik aanschouwde wat ik had aangericht en knikte goedkeurend. De man lag in een vreemde houding op de grond. Gesloten ogen, halfopen mond en een flinke hoeveelheid bloed dat uit een gapend gat in zijn hoofd stroomde. Mijn maag draaide, maar ik vermande me want ik mocht absoluut niet kotsen; met een simpel DNA onderzoek zou de politie me dan zo vinden!
Met de boomstam in mijn armen liep ik terug naar huis. Eenmaal thuis hoefde ik niet lang na te denken over de plaats waar ik die zou dumpen, ik schoof het kruipluik open, wierp hem erin en hoorde bekende geluiden vanuit de woonkamer; mijn man die weer sport zat te kijken. Ik liep de trap op, stopte mijn bloederige kleding in een vuilniszak en stapte zingend onder de warme douche.

De volgende ochtend werd ik gewekt door de aroma van versgebakken croissants. Het was bijna 11 uur, ik kleedde me aan en toen ik de trap afliep hoorde ik Sterre en haar vader gezellig in de keuken rommelen.
‘Goedemorgen,’ zei ik toen ik naar binnen liep en Sterre met een dikke kus op haar wang verraste. ‘Oh, ben je daar eindelijk slaapkopje van me,’ zei mijn man glimlachend. Hij bood me een croissantje aan.
Ik pakte een warme van de schaal en nam een hapje. ‘Mmm, wat smaken ze goed,’ zei ik tussen twee happen door.
Hij sloeg een arm om Sterre heen. ‘Ik ga even met Sterre naar het park hoor.’ ‘Is goed,’ zei ik luchtig en volledig van angst verlost: Om die kinderlokker hoefde ik me nu in ieder geval geen zorgen meer te maken.
Ze trokken hun jas en schoenen aan en verdwenen door de achterdeur.
Ik pakte de krant van het kastje, sloeg hem open en las een bericht dat op de voorpagina stond. Godverdomme, er was in ons park alweer een meisje lastig gevallen! Dat arme kind kon deze keer niet ontsnappen, ze was verkracht en als oud vuil in de bosjes achtergelaten. Gelukkig leefde ze nog wel en ze kon de dader ook precies beschrijven. Er stond zelfs een compositietekening bij; een schets van een man met kort stekeltjeshaar…
Ik staarde gebiologeerd naar de afbeelding, herkende de persoon en rende zonder jas de achterdeur uit. In blinde paniek sprintte ik door de tuin en stormde ik door het park. In mijn hoofd donderde alles in elkaar. Ik was een stomme trut, een dom wicht die iemand in elkaar geslagen had. Die onschuldige man was nu misschien wel dood!
Even later bereikte ik de zandbak en mijn gedachten werden rustig toen ik zag dat Sterre gewoon in het zand zat te spelen. Ik keek om me heen en zag mijn man juist verdwijnen. Hij liep samen met Samira de bosjes in…
Er ontstond een tornado in mijn hoofd. Alles draaide en er vormde zich een ballon in het midden van mijn maag. Ik kokhalsde, voelde de zure massa omhoog komen en weldra spoelde mijn volledige maaginhoud over het gras. Ik rilde van bitter gal dat in mijn mond achterbleef.
Hoe was het mogelijk dat ik met deze man in èèn huis woonde, mijn leven met hem deelde en zelfs van hem hield terwijl hij kinderen molesteerde? Ik vloog achter hem aan, vloekte toen ik zag dat hij zijn broek al los had en redde Samira.
Met trillende vingers pakte ik mijn mobiel. Ik toetste het nummer van de politie en even later vlogen de wagens met gillende sirenes door de straat. Mijn man, die ondertussen op een bankje was gaan zitten, zei niets en toen een van de agenten hem in de boeien sloeg staarde hij alleen apathisch voor zich uit. De agent voerde hem daarna moeiteloos met zich mee.

Sinds die dag is mijn leven drastisch veranderd: Natuurlijk wilde ik niet meer met mijn man getrouwd blijven en toen onze scheidingsprocedure er eindelijk op zat was ik dolgelukkig. Ons mooie vrijstaande huis was snel verkocht en ik woon nu iets verderop in een tweekamer appartement dat ruim genoeg is voor Sterre en mij.
Met die oude heer is het helaas nooit helemaal goed gekomen: Door een schedelbasisfractuur lijdt hij aan ernstig geheugenverlies. Hij herinnert zich helemaal niets meer van het hele voorval en natuurlijk heb ik overwogen om mezelf aan te geven, maar het leven van Sterre is al zo veranderd. Zou zij het aankunnen als haar ouders allebei in de bak zitten? Nee, ik heb besloten dat ik moet leren leven met de waarheid; eigenlijk ben ik geen haar beter dan mijn ex…

Judith van Zoomeren

Judith van Zoomeren is 40 jaar oud en werkzaam als gastouder. Ze heeft 12 gast-kinderen en 3 kinderen van zichzelf van 9, 14 en 19 jaar oud. Vroeger schreef ze vooral voor kinderen, maar haar schrijfstijl past ook er goed bij volwassen. Ze krijgt veel positieve reacties en heeft nu zoveel verhalen geschreven dat het tijd wordt om één van die verhalen eens wat verder uit te schrijven. Daarom is ze nu bezig met het schrijven van haar eerste boek.



Bezoekersreacties:
Lettervreter (39) op 3 april 2012:
Het is een leuk opgebouwd verhaal, iets spreektaal en het gegeven is best origineel te noemen. Toch vind ik het onlogisch: ze verdenkt die oudere man in feite op niets af. Door de manier hoe het is beschreven weet je als lezer meteen al dat de man onschuldig is. Dat haar man de dader is wist ik meteen: beter had je van hem een liefhebbende ouder kunnen maken, want nu lag het er te dik bovenop. Verder komen er niet veel meer mannen in voor om te verdenken. Het verhaal neemt ook heel erg snel een wending: ze slaat de oude man neer en de dag erop weet ze meteen door de beschrijving dat haar eigen man de dader is. Ze neemt het meteen aan, het geloof is er dus ook direct. Het is haar man, niet de buurman die altijd zo aardig leek? Ze gaat naar het park waar haar man een kind wil aanranden en betrapt hem. Zijn eigen dochter zit in de zandbak. Ze ziet toch wat papa doet? En dan sleurt hij net in daglicht het vriendinnetje mee de bosjes in, broek al los. Onlogisch en niet geloofwaardig. Dat had beter uitgewerkt kunnen worden. Neemt niet weg dat de auteur een vlotte pen heeft, en volgens mij met veel fun schrijft. Ook is het beeldend geschreven. Denk aan de logica (neem de lezer serieus) bouw het goed op en uit en dan zit het helemaal goed. Verder houd ik wel erg van verhalen beschreven vanuit de ik-persoon , want zo duik je nog beter in de denkwijze van de hoofdpersoon. Maar dat is natuurlijk heel erg persoonlijk.

Danielle (33) op 29 maart 2012:
Ik ben dol op lange zinnen. Lekker ploegen door dat veld van intrige en spanning dat je voor ons hebt neergelegd. Jummie, jummie. Hapklare brokken haal ik wel bij de Mac. Ik zeg het niet vaak maar: meesterlijk geschreven!

Lisette (32) op 11 maart 2012:
Hoi, Op aanraden van een collega dit verhaal gelezen. Veel lange zinnen maar zeker goed geschreven. De schrijfstijl is, ondanks de lange zinnen zeer prettig te lezen. Maar toch had ik het gevoel al gelijk te weten dat de oude man niet schuldig was en dat het haar eigen man was.... Waarom weet ik niet. Net als een van mijn voorgangers al opmerkte: ik vind verhalen in de ik-vorm niet prettig. maar ook voor mij geldt dat dit persoonlijke voorkeur betreft. .

Marly (47) op 11 maart 2012:
Een verhaal dat je vasthoudt. Je wil weten hoe het afloopt. Zoals Lisette al aangeeft worden er veel lang zinnen gebruikt. Ik ben benieuwd naar de volgende verhalen. Succes

Astrid Stoel van Kla (41) op 7 maart 2012:
Hallo Judith, Iwan gaf mij de tip om je verhaal eens te lezen. Ik vond het een bijzonder verhaal. Vooral de ontknoping had ik niet bedacht. In het begin vond ik, dat ik erg veel informatie kreeg. "Ik" verhalen vind ik niet prettig om te lezen, maar dt is persoonlijk. Je bent ERG goed op weg! Succes Astrid

Michael Adema (37) op 5 maart 2012:
Leest gemakkelijk ziet er veel belovend uit. Ga zo door. Michael

afra (63) op 25 februari 2012:
erg goed en spannend het zou zo in boek passen. ik zou zeggen ga door