Het uur van de ratten
Door: Aron van Dijk op 8 december 2013

Het is warm, erg warm. Zeg maar gewoon bloedheet. Ik zit op de grond om nog een beetje koelte van het beton op te kunnen nemen. Ik heb ook niet echt een andere keus. Spijt? Natuurlijk heb ik spijt. Spijt dat ik zo stom ben geweest. Stom dat ik er met open ogen ben ingetrapt. Ook ik ken alle clichés, maar goed dat is nu allemaal achteraf. Het verandert niets aan mijn situatie hier. Ik zal ermee moeten leren omgaan. Toen ik met Marjon op vakantie naar Ibiza ging had ik nooit verwacht dat mijn hele leven op zijn kop zou komen te staan. Het is nu een kwestie van verstand op nul en het enige wat telt is overleven in deze hel.

Met geen mogelijkheid krijg ik mijn koffer dicht. Natuurlijk wil ik weer veel te veel meenemen. Ik hoor de stem van mijn moeder al in mijn hoofd.
‘Lieve schat, je gaat maar twee weken weg hoor.’
Ik weet dat we elke avond de disco’s en bars van Ibiza af zullen struinen. Het is mijn eerste vakantie zonder ouders. We hebben het er al zo vaak over gehad en nu gaat het gebeuren. Twee jonge meiden van negentien twee weken lang feesten op het bekende party eiland, en nu is het eindelijk zover. Morgenochtend brengt mijn vader ons naar Schiphol en dan begint de vakantie.
‘Cynthia, moet ik je komen helpen?’De stem van mijn moeder klinkt van beneden. Ik herken in haar toon een mengeling van nieuwsgierigheid en lichte irritatie.
Zonder mijn antwoord af te wachten hoor ik haar voetstappen op de trap. Ik probeer nog steeds met alle macht mijn koffer dicht te krijgen.
‘Waarom altijd alles uitstellen tot het laatste moment, Cynthia?’
Mijn moeder staat in de deuropening en kijkt me verwonderd aan.
‘Het komt heus wel goed, ik heb alles onder controle. Ik ben bijna klaar.’
Ze begint te lachen.
‘Je hebt natuurlijk kleding en schoenen bij je alsof je een half jaar op vakantie gaat.’
‘Ik moet er toch fris en schoon bijlopen? dat heb je mezelf geleerd.’
‘Ja geef mij maar de schuld. Nou schat kom op, dan zal je moeder je nog wel even helpen je koffer dicht te krijgen.’
Samen duwen we met al onze kracht op mijn koffer tot deze uiteindelijk zijn weerstand opgeeft en sluit. Prompt gaat mijn mobieltje.
Ik zie op het scherm dat het Marjon is.
‘Hey, ben je er klaar voor,’ mijn stem klinkt opgetogen en luidruchtig.
‘Zeker weten, Ik verlang  naar zon, zee en lekkere Spaanse mannen, hihi.’
‘Anders ik wel,’ lach ik met haar mee en ben blij dat mijn moeder onze conversatie niet kan volgen.

De beats zijn opzwepend. De muziek staat oorverdovend hard. De bezoekers lijken in een trance te verkeren door de housemuziek. Marjon en ik staan in het midden van de dansvloer en we gaan op in de golvende massa. Ik voel me heerlijk. We zijn hier nu een week en dit is tot nu toe een geweldige vakantie. We zijn elke op avond op stap. Ibiza maakt zijn reputatie als party eiland wel waar. Vanavond zijn we in de Pacha. Marjon wenkt me en ik volg haar naar de bar.
‘Tijd voor een mojito,’gilt ze in mijn oor.
‘Heerlijk.’
Marjon bestelt onze drankjes en de barkeeper geeft haar zwoel een knipoog.
‘Het is hier geweldig, ik ga nooit meer naar huis.’
Marjon beweegt haar heupen sensueel op het ritme van de muziek, en flirt er lustig op los.
Ik heb ook niet te klagen over mannelijke aandacht.
Het enige nadeel van Ibiza zijn de prijzen. Ik heb maanden gespaard, maar binnen een week ben is door mijn geld heen. De entreeprijzen en de drankjes zijn hier ontzettend duur. Ik zal morgen mijn ouders moeten bellen of ze geld willen sturen. Ik zie er nu al tegenop. Mijn moeder gaat een preek houden over volwassen gedrag en verstandig met geld omgaan. Nou ja nog even niet aan denken. De nacht is nog jong, net zoals Marjon en ik. We gaan feesten tot de zon opkomt.

De volgende dag word ik wakker met een knallende hoofdpijn. Dat is eigenlijk de eerste keer. Ik heb gisteren echt te veel gedronken. Ik kan me alleen nog herinneren dat we een taxi naar het hotel hebben genomen en daarna is heb ik een groot gat in mijn geheugen. Geen idee hoe we op de kamer terecht zijn gekomen. Met de lift, neem ik aan.
Ik loop naar de badkamer. De spiegel boven de wastafel laat me de keiharde realiteit zien. Een week feesten heeft zijn sporen nagelaten. Dit valt met make-up niet meer weg te werken. Vanavond maar eens rustig aan doen.
Het gekreun vanuit de kamer maakt me er op attent dat Marjon ook wakker is, en zo te horen is haar kater ook duidelijk aanwezig.
Ik loop de kamer. Marjon ligt met haar hoofd onder de dekens. Ik pak een fles water van mijn nachtkastje en laat het gulzig mijn keel in lopen. Ik heb zo’n droge keel. Dan loop ik om het bed en open de schuifdeur na het balkon. Eerst moet even die verschrikkelijke slaap met dranklucht de kamer uit.
‘Ik moet echt mijn ouders gaan bellen.’
De dekens bewegen en het verkreukelde gezicht van Marjon kijkt me slaperig aan. Ze knijpt haar ogen toe voor het felle licht. 
 Ze is nog niet helemaal wakker. Ze heeft geen flauw idee waar ik het over heb.
‘Mijn geld is bijna op. Ik red het misschien vandaag nog als we heel rustig aan doen, maar dan zit ik echt zonder.’
‘Wacht nog even met bellen. Ik ga eerst even douchen en dan bespreken we het zo. Ik weet misschien wel iets.’
‘Ik bel gewoon zo mijn ouders, die sturen heus wel wat geld op.’
‘Ik zeg toch wacht nog even, we wilden zo graag samen op vakantie als volwassen meiden, dan moeten we ons ook volwassen gedragen. Dus zelf ons geld verdienen.’
Ik reageer niet. Ze heeft wel gelijk. We voelden ons volwassen genoeg om samen op vakantie te gaan. Zo hebben we ook onze ouders kunnen overtuigen. Het zou wel heel kinderachtig zijn als na een week blijkt dat we niet goed met ons geld om kunnen gaan.
Weer komt het beeld van mijn moeder die haar preekt afsteekt met een teleurgesteld gezicht bij me op. Mijn ouders teleurstellen is het laatste wat ik wil.
Ik zal laten zien dat wij zelfstandig kunnen zijn, en zelf onze problemen kunnen oplossen. Als ik ze dat vertel zullen ze nog trots zijn ook.
‘Je hebt gelijk, we moeten het zelf oplossen.’
Ze kijkt me serieus aan en begint dan hard te lachen.
‘Uitzendbureau Marjon is open voor business.’ Ze snuift en trekt een vies gezicht.
‘Nou ja zodra ik ben wezen douchen dan.’
Ik begin te lachen. Ik weet dat het goed gaat komen.
Marjon stapt de badkamer in en komt er drie kwartier later weer uit.
‘Laten we even naar de supermarkt verderop lopen. Ik heb trek in chips. Dat is toch weer goedkoper dan ergens lunchen,’ lacht ze.
 Ik kan een kan een glimlach niet onderdrukken. Ze heeft wel gelijk en een zak paprikachips lust ik ook wel. 
‘Mijn geld gaat ook best hard, maar we hebben wel een super vakantie. Misschien heb ik wel een oplossing voor onze geldproblemen. Ik moet dan even bellen zo.’
Ik kijk haar vragend aan.
‘Ik kan nog niets zeggen. Ik moet eerst dat telefoontje hebben gepleegd voor ik meer weet. Kom we gaan eerst even die chips halen. Ik heb honger.’
Onderweg terug naar het hotel praten we wat over de afgelopen week terwijl we onze magen vullen met ieder twee zakken chips en een fles cola.
Bij het hotel aangekomen wil ik gelijk de lift in stappen. Marjon gebaart dat ik alleen naar de kamer moet gaan. Ze wijst op haar mobiele telefoon.
Als ze de kamer in komt ligt er een blos op haar wangen. Ze begint meteen te vertellen.
‘Je kent die jongen toch wel waar ik gisteravond mee in de Pacha aan het dansen was.’
‘Oh de Spaanse klerenkast, die we al een paar avonden zijn tegen gekomen,’ zeg ik lacherig.
‘Eh, ja die ja. Hij vertelde me dat het hier allemaal erg duur is en dat als we extra geld nodig hebben ik hem kon bellen. Hij weet wel iets waardoor we extra vakantiegeld kunnen verdienen.’
Ik kijk haar aan en mijn blik zegt genoeg.
‘Nee gek, dat zou ik nooit doen,’ zegt ze geschokt.
Beide beginnen we hard te lachen.
‘Ik heb met hem een afspraak gemaakt voor vanavond. Hij gaat het ons dan allemaal uitleggen.’

We zitten aan een smoezelig tafeltje in een smoezelig restaurantje. De anti-rook wet is hier nog niet doorgedrongen. Het restaurant staat blauw van de rook. Niet echt bevorderlijk voor mijn eetlust. Gelukkig zijn we  hier dan ook niet om te eten. Ik kijk wat om me heen. Het rood met witte geruite, plastic tafelkleed heeft zijn beste tijd gehad, als het al ooit een beste tijd heeft gekend. De sporen van overmatig gebruik zijn duidelijk zichtbaar. Bruine littekens van sigaretten die het bovenlaagje van het plastic hebben weggesmolten, duizenden kringen van de glazen die geserveerd zijn. Vlekken die op het eerste gezicht geen herkenning bij me oproepen. Het zouden saus vlekken kunnen zijn of misschien wel bloed. Ik staar naar het tafelkleed. Het wit in de ruit is nu geel en het rood gaat richting roze. Etensresten van enkele dagen liggen als een hoogpolig tapijt op de vloer.
Zodra ik mijn arm op tafel neerleg plakt deze vast aan het kleedje. Snel trek ik mijn arm terug, met een zuigend geluid geeft het kleed zijn houvast op. Ik ril ervan. Ik voel me vies. Het glas cola staat nog onaangeroerd voor mijn neus. Het glas zit vol vingerafdrukken die niet van mij zijn. De cola heeft zijn krachtige bruis verloren. Ik sla dit rondje over.
 Als ik zo om me heen kijk in deze ongure tent zal het niet echt om een legale baan gaan. Ik krijg geloof ik alweer spijt. Waarom laat ik me ook altijd weer ompraten door haar? Marjon is druk met hem in gesprek. Het gaat er nogal oppervlakkig aan toe. Ik hoop maar dat ze snel to-the-point komt want ik voel me hier alles behalve op mijn gemak. Eindelijk komt het gesprek op onze financiële situatie. Ik meng me zo weinig mogelijk in het gesprek, en heb het gevoel dat ik ook niet echt gemist wordt als ik de deur uitloop. De helft van het gesprek ontgaat me. De kleerkast heet Jorge. Dat heb ik nu wel begrepen. Marjon gebruikt zijn naam te pas en te onpas. Ik denk dat er bij haar een zekere mate van verliefdheid de kop op steekt.
Normaal gesproken zou ze hier nooit naar binnen stappen. Alleen de buitenkant doet al het ergste vermoeden. De verschoten gordijnen, het kapotte uithangbord. Het gehele plaatje is niet echt aantrekkelijk. Alleen omdat Jorge hier wilde afspreken stapte ze zonder blikken of blozen naar binnen. Hij luistert geduldig als Marjon hem in haar beste Engels uitlegt hoe wij er financieel voorstaan. Hij knikt geduldig en legt zijn hand op de hare. Hij zegt dat hij een oplossing voor ons heeft, en begint zijn verhaal.

Ik klem mijn paspoort zo strak in mijn hand dat mijn knokkels wit worden. Ik voel de zweetdruppels onder mijn haar vandaan komen en via mijn nek hun weg vinden via mijn ruggengraat naar beneden. Ik weet niet of het door de klamme warmte komt die hier hangt of door de enorme knoop die in mijn maag zit. Ik twijfel zo enorm. Het liefst wil ik weer terug, maar ik weet dat er geen weg meer terug is. Ik moet mijn zenuwen de baas blijven. Falen is nu geen optie. Ik weet waarvoor ik het doe. Ik leg mijn paspoort op de balie en schuif hem naar de douanebeambte. De vrouw achter de balie pakt mijn paspoort aan en begint hem zorgvuldig te bestuderen. Ze bestudeert mijn foto enige tijd en staart me dan doordringend aan. Ik voel de zweetdruppels weer opkomen. Ik staar naar de grond en ik hoop dat de dame niet ziet dat ik mijn zenuwen nauwelijks in bedwang heb. Dan schrik ik op van een hand op mijn schouder. Verschrikt draai ik me om. De meneer achter me knikt naar voren. Dan zie ik de hand van de dame achter de balie met mijn paspoort. Ze glimlacht en knikt vriendelijk naar me. Ik pak snel mijn paspoort aan en opgelucht loop ik door. Bij de bagageband kom ik enigszins tot rust  De band is nog leeg en als een lome duizendpoot kruipt hij langs de ongeduldige toeristen die maar één ding willen, vakantie. De eerste koffers verschijnen. Ik zie de mijne er nog niet tussen liggen. Ik kijk wat om me heen. Ik voel de zenuwen weer door mijn lijf gieren. Er verdwijnen toeristen met fel gekleurde koffers, sommige geseald in doorzichtig plastic, anderen hebben er een band met cijferslot om gedaan. Er verschijnen en verdwijnen steeds meer koffers. Plots zie ik mijn fel roze koffer de band op komen. Mijn hart begint als een bezetene te kloppen. Ik ben bang dat het echtpaar dat naast mij staat te wachten het kan horen. Mijn borstkas gaat enorm te keer. Ik trek mijn koffer van de band en zet hem overeind zodat ik het handvat kan uit trekken. Ik blijf even staan en haal diep adem.
‘Rustig blijven,’ zeg ik zachtjes tegen mezelf.
Ik adem nog een keer diep in en uit. Pak mijn koffer stevig vast en sleep hem achter mij aan. Snel voeg ik me bij een groep andere toeristen die richting de aankomsthal lopen. Dan zie ik Marjon staan. We hebben afgesproken ieder afzonderlijk door de douane te gaan. Ze staat in de aankomsthal op me te wachten. Ik haal opgelucht adem. We hebben het gewoon gedaan, en alles is goed gegaan. Als ze me ziet begint ze te lachen en knikt naar de uitgang. We hebben het gered. Allebei halen we opgelucht adem. Ik ben mijn zenuwen weer de baas en voel mijn hartslag terug zakken naar het normale tempo. We lopen samen richting de uitgang. Plots voel ik een stevige hand op mijn schouder. Ik blijf met een ruk staan. Het handvat van mijn koffer glipt tussen mijn vingers door en valt met een harde klap op de glimmende tegels. Marjon draait zich om. Ik durf me niet om te draaien, maar aan het gezicht van Marjon weet ik dat het goed fout is. Ik draai mijn hoofd langzaam om en zie de witte handschoenen op mijn schouder. Inmiddels staan er bij Marjon ook twee geüniformeerde mannen die haar bij haar schouders vasthouden. Dan gaat het allemaal heel snel. Het lijkt alsof ik naar een televisieprogramma zit te kijken. Ik voel me een buitenstaander terwijl ik eigenlijk de hoofdrol vervul. Door de klap van mijn koffer zijn andere toeristen blijven staan en staren ons nu aan. Hun blikken verraden hoe ze over ons denken. Ik kijk snel naar beneden. Ik wil die geschokte en veroordelende blikken niet zien. Marjon stribbelt tegen. Roept in het Engels dat het nergens op slaat. We zijn gewoon toeristen. Haar tirade gaat maar door. Het gekke is dat al mijn zenuwen weg zijn. Er is een rust over me. Ik zeg niets. Ik hou me rustig. We worden weggevoerd. Ik weet dat het afgelopen is. 

Hoe lang ik hier nu zit weet ik eigenlijk niet meer. Alle minuten, uren en dagen lijken op elkaar. Ik probeer alleen te overleven. Ik weiger om op te geven. Het ergste moment was dat ik mijn ouders moest bellen om ze het te vertellen. Dat gesprek staat in mijn geheugen gegrift. Ik probeer er zo min mogelijk aan te denken. De stem van mijn moeder mis ik zo enorm, maar  de herinnering eraan brengt ook verdriet met zich mee. Ik mis mijn ouders verschrikkelijk, en mijn zorgeloze leventje in Nederland. Hoe heb ik ooit zo stom kunnen zijn. Toch gaan mijn gedachten weer terug naar het telefoongesprek. Ik wil zo graag haar stem weer horen.

‘Hallo, met Elise de Graaf.’
‘Hoi mam, met mij.’
‘Lieverd, ik dacht net aan je. Hoe is het daar? Heb je lekker weer? Zeker wel veel aan het stappen? En heb je al veel gezien van het eiland? Wel veel foto’s maken hoor.’
Bij het horen van haar stem heb ik moeite om niet in een hysterische huilbui uit te barsten. Ik moet me nu sterk en groot houden. Ook voor haar.
‘Mam, ik moet je iets vertellen.’
‘Wat dan lieverd. Heb je een vriendje daar?’
Ik wou dat dit de boodschap was. Ik wou dat ik haar kon zeggen dat ik tot over mijn oren verliefd ben geworden op een Spaanse jongen.
‘Ik ben in Thailand op de luchthaven van Bangkok gearresteerd voor drugsmokkel. Ik zit nu in de Lard Yao-gevangenis.’
Wat er daarna gebeurde was echt hartverscheurend. Mijn moeder was eerst doodstil en toen kwam er een schreeuw die door merg en been ging. Nog steeds hoor ik het in mijn hoofd en gaan mijn haren op mijn arm recht overeind staan. Daarna begon ze hysterisch te huilen.
Ik voel dat de tranen weer over mijn wangen stromen. Ik moet het gesprek uit mijn hoofd zetten. Hier mag ik geen emotie tonen.
De rechtszaak hier sleept maar voort. Ik heb nu al vier verschillende advocaten gehad. Mijn ouders zijn al twee keer op bezoek geweest. De eerste keer durfde ik ze bijna niet onder ogen te komen. De schaamte en de teleurstelling was in hun ogen af te lezen. Ik wist dat de onvermijdelijke vraag zou komen.
Waarom?
Ik weet dat wat ik ook zeg, er nooit een juist antwoord op te vinden is. Ik weet het zelf niet eens.
Ja natuurlijk het geld. We zouden er per persoon vijfentwintighonderd euro voor krijgen. We moesten ieder zes kilo cocaïne wegbrengen naar Bangkok. Toen Jorge ons het voorstel deed wist ik niet wat ik hoorde. Ik wil helemaal niets met drugs te maken hebben. Ik lees ook kranten en kijk ook tv. Ik weet wat er met drugssmokkelaars gebeurt. Natuurlijk twijfelde ik aan het begin. Heel erg zelfs. Ik ben toch geen crimineel hield ik mezelf maar voor. Marjon zag alleen het geld. Ze heeft twee dagen op me in gepraat, en toen ben ik overstag gegaan. Ik weet ook wel dat ik mijn rug recht had moeten houden, en dat ik verantwoordelijk ben voor mijn eigen keuzes.
Onze vriendschap heeft een flinke deuk opgelopen.
We proberen beiden te overleven op onze eigen manier. Onze cel is geschikt voor vijfentwintig vrouwen, maar de gevangenis is overbevolkt. We slapen in een cel met honderdtwintig vrouwen. We slapen om beurten en dan alleen maar op een zij. Anders is er geen plaats. Ik hou mijn kleding aan als ik slaap, anders wordt het gestolen.
Ik ben ook bang dat ik met mijn handen of voeten een vrouw aanraak die schurft heeft. Ook tbc en aids komen veel voor. Veel vrouwen zijn verslaafd en delen injectiespuiten met elkaar. Ze dwalen de hele dag als zombies rond op zoek naar hun volgende shot. Hier word ik echt met mijn neus op de feiten gedrukt over wat drugs met je doen. Ik heb hier gewoon aan meegeholpen. Ik voel me zo enorm schuldig. Als ik naar ze kijk is hun blik leeg. Hun ogen zien niet meer de harde realiteit waarin ze zich bevinden.
Soms benijd ik ze en dan weer voel ik medelijden. Het eten is slecht. Ik merk dat ik al sterk vermagerd ben. Mijn ribben schijnen door mijn vel heen. De botten van mijn knieën doen zeer als ik op mijn zij lig. Gelukkig kan ik af en toe wat eten en vitaminen kopen. Mijn ouders maken geld over. De medische omstandigheden zijn ook erg slecht. Ik heb nu al een paar dames zien vertrekken naar de ziekenafdeling en niet meer terug zien keren. Zij hebben de gevangenis verlaten in een kist. Het is meer regel dan uitzondering. De hitte en de slechte omstandigheden is voor sommige vrouwen te veel.

Het is nacht. Sommige vrouwen slapen,  anderen zijn dan verplicht om op te staan en ruimte te maken. Ik sta in een hoekje van de cel vlak bij het toilet, of wat daar voor door moet gaan. Een gat in de vloer met een klein afbrokkelende muurtje erom. De stank is bijna niet te verdragen. Ik hou mijn ogen op het gat gericht. Dan zie ik de eerste. Twee kleine lichtjes komen langzaam uit het gat omhoog. Dan schieten ze langs mijn voeten. De lichtjes volgen elkaar snel op. Ratten. Elke nacht komen ze via het riool omhoog en lopen door onze cel op zoek naar voedsel of wat er voor door moet gaan. Ik druk me zo ver mogelijk naar achteren tegen de muur aan. Ik kan maar niet aan het idee wennen. Op een nacht werd ik wakker van een ranzige rioollucht terwijl ik niet vlakbij het gat lag. Ik deed mijn ogen open en mijn adem stokte in mijn keel. Ik keek recht in de groene, glinsterende ogen van een grote rat. Hij was bezig om het korstje op een wondje, dat ik had op mijn pols, los te knagen. Ik heb nog nooit zo hard gegild. De rat schrok van mijn reactie en zocht heel snel zijn toevlucht in het donkere gat in de hoek van de cel. Sinds die nacht slaap ik met mijn handen onder mijn lichaam. Dat doet zeer maar alles beter dan nog zo’n ervaring. Ik probeer overdag zoveel mogelijk te slapen zodat ik de nachten wakker of met korte slaapjes kan door komen.

Ze zit onder een boom buiten. Het is tijd om te luchten. De zon brandt door mijn kleding heen. Ik voel een laagje hitte tussen mijn huid en de stof ontstaan. Als een isolatielaag in een spouwmuur. Er lopen twee Afrikaanse “zombies” voorbij. Hun blikken gericht op de grond. Ik voel hoe zweetdruppels over de brug van mijn neus op de grondvallen. De twee dames lijken geen last van de hitte te hebben. Ze rillen over hun hele lichaam. Een van de twee kijkt me aan, maar ziet me niet. Haar ogen kijken dwars door me heen. Ik loop naar de boom. Marjon zit te praten met een Engelse vrouw van rond de vijftig. Ze zit ook bij ons in de cel. Ze had een bordeel in Pattaya en daar konden oude dikke kerels zich laten verwennen door wel hele jonge meisjes en jongens. Ik walg van haar. Haar vieze, vette haar hangt in slierten langs haar gezicht. Ze blaast een kringetje rook uit. Haar blik is arrogant. Ik keur haar geen blik waardig en vestig mijn aandacht op Marjon.
‘Kan ik je even spreken?’ vraag ik terwijl ik haar doordringend aankijk.
‘Zeg het maar, ik heb geen geheimen voor mijn grote vriendin hier.’
De laatste zin zegt ze in het Engels terwijl ze haar arm om de pafferig vrouw heen slaat.
Ze trekt al net zo’n arrogante blik als dat kreng naast haar.
‘Alleen graag,’ Ik hou mijn toon vriendelijk en beleefd.
‘Vooruit dan maar.’
Ze komt overeind en trek een verveeld en vermoeiend gezicht naar haar nieuwe “hartsvriendin”.
Ik doe net of ik het niet gezien heb.
Ik loop weg bij de boom en slof richting de twee zoekende zombies.
‘Heb jij geen spijt?’ Ik vraag het haar op een toon zonder emotie te laten klinken.
‘Waarom, we waren er toch zelf bij? Jij wilde het ook. Ga je mij nu verwijten dat je hier zit? Jij dacht ook alleen aan het geld.’
‘Kijk,’ zeg ik terwijl ik op de twee Afrikaanse vrouwen wijs.
‘Dat is wat wij op onze gewetens hebben.’
‘Dus je wilt me toch een schuldgevoel aanpraten. Rot lekker op met je moeder Theresa gelul. Zij duwen die spuit in hun aderen. Niet ik. Ik voorzie alleen in hun behoefte om te ontsnappen aan deze realiteit.’
Ik kijk haar verbaast aan. Ik kan mijn oren niet geloven.
‘Je wilt zeggen dat je nu nog handelt in die troep?’
‘Hoe dacht je dat ik hier kon overleven, ik heb geld nodig. Ook hier zorgt Jorge goed voor me.’
 Ze is niet meer de vriendin met wie ik lief en leed hebt gedeeld. Waar ik bij logeerde, met wie ik plannen maakte voor een zorgeloze vakantie op Ibiza.
Ze heeft een harde blik in haar ogen. Haar gezicht staat arrogant.
‘Kijk me niet zo onnozel aan, trut. Je bent nooit echt snugger geweest. Moet ik het voor je spellen?’
‘Wat is er tussen ons gebeurd? Je bent zo afstandelijk, zo hard.’
‘Ik ben aan het overleven. Vergeet niet dat ik door jouw getreuzel en zenuwachtige gedoe hier nu zit. Ik had allang met die koffer buiten kunnen staan als ik niet op je had hoeven wachten.’
Ik sta met open mond naar haar te luisteren.
‘Door jouw ben ik vijftienduizend euro misgelopen en zit ik hier opgesloten in deze teringzooi. Jorge had gelijk ik had je nooit mee moeten vragen op vakantie.’
Ze ontwijkt mijn blik. Ik kan het allemaal niet bevatten. Maar wacht eens even, zei ze nou  vijftienduizend?
Ik draai me abrupt om naar haar.
‘Vijftienduizend? We kregen toch maar vijfentwintighonderd?’
Ze kijkt me aan en begint te lachen.
‘Je denk toch niet dat ik echt dat risico zou nemen voor een simpele vijfentwintighonderd euro?’
Mijn hersenen proberen al deze informatie te verwerken.
‘Ik zei het je toch, je bent niet echt snugger. Je dacht toch niet dat ik met jouw naar Ibiza zou gaan voor twee weken lol. Dan had ik wel een echte leuke vriendin mee genomen.’
Haar woorden raken me midden in mijn hart en blijven daar rondsteken als een dolk en laten diepe snijwonden achter. Ik sta te wankelen op mijn benen en moet houvast zoeken. Ik strompel naar een muur en laat me langzaam op de grond zakken. Ik ben bang dat ik het bewustzijn verlies. Ik vertrouwde haar. Zag haar als een goede vriendin en zus. Dit had ik niet zien aankomen. Ze heeft me er in geluisd. Ik was niet meer dan een manier om snel geld te verdienen. Ze heeft alles van te voren gepland.  Ik snak naar adem als haar woorden de weg al stekend via mijn hart mijn hoofd bereiken. Ik stop mijn hoofd tussen mijn knokige knieën en probeer niet flauw te vallen. Ik haal een paar keer diep adem en krijg mezelf weer onder controle. Ik zie haar zitten onder de boom naast haar nieuwe vriendin. Ze lachen samen en kijken mijn richting op. Zoveel vernedering kan ik niet aan. Ik loop naar binnen terug naar de volle cel en de stank van ziekte en uitwerpselen. Na een half uur komen de vrouwen die nog buiten waren terug naar de cel. Ik zie Marjon als een van de laatste binnen komen. Ik ontwijk haar lacherige blik.
Die nacht doe ik geen oog dicht. Haar woorden blijven maar door mijn hoofd spoken. Hoe heb ik me zo kunnen vergissen? Ik voel de tranen branden achter mijn ogen.
‘Nee Cynthia, we gaan niet huilen,’ spreek ik mezelf streng toe.
Dat gun ik haar niet. Door haar zit ik hier. Zij heeft me gewoon gebruikt. Ik ben zo enorm stom geweest. Ik had gelijk op mijn intuïtie moeten vertrouwen en moeten weglopen van dat smerige tafeltje in dat ranzige restaurant. Weglopen en nooit meer omkijken. Dit wordt een lange nacht. De vrouwen slapen om beurten, maar ik blijf wakker. Wakker met mijn gedachten en verdriet.  Het borrelt diep van binnen in me. Dan komen de eerste lichtjes weer uit het riool omhoog. Het uur van de ratten is aangebroken.

Een gil. Een gil die door merg en been gaat. Weer gaan de haren op mijn armen overeind staan. Ik kom met een ruk omhoog. Mijn spieren protesteren tegen deze onverwachte inspanning. Ik kan niet zien wat er gebeurd. De vrouwen drommen allemaal samen en vormen een vleselijke muur. Het is net licht aan het worden. Het beetje licht wat door een klein getralied raam wordt binnengelaten verdwijnt achter deze muur. Ik probeer op te staan maar mijn knieën protesteren. Ze hebben te lang in dezelfde houding gelegen en doen zeer. Ik hijs mezelf overeind. Inmiddels heeft de eenzame gil bijval gekregen. Ik moet ervan giechelen. Het klinkt als een vals opera koor. Ik moet me inhouden om niet onbedaarlijk in lachen uit te barsten. Ik hoor braakgeluiden. Sommige vrouwen deinzen achteruit. Ik wurm mezelf naar voren. Dan zie ik wat de dames doen gillen en spugen. Marjon ligt op de grond. Haar ogen staren naar het plafond. Alleen nemen ze geen beelden meer op. Haar ogen zijn leeg. Leeg als de Afrikaanse zombie ogen van haar klanten. Haar keel is opengescheurd en aangevreten. Om haar heen is het een doolhof van rode pootafdrukken. De ratten hebben zich tegoed gedaan aan het vlees van haar keel en zich een weg naar binnen gevreten.
Bij deze aanblik voel ik gal omhoog komen. Ik wend mij af en laat het bittere zuur naar buiten komen.
Pas laat in de middag wordt het lichaam weggehaald. De zon stuurt al enige uren haar brandende stralen naar dit gedeelte van de wereld. Het is bloedheet in de cel. De lucht is vreselijk.
Een mengeling van uitwerpselen, opgedroogd bloed, braaksel, verrotting en de dood vullen de hele cel. Uiteindelijk na acht uur wachten komen twee mannelijke gevangenen het lichaam weghalen. Ik mag vanavond bellen. Hoe moet ik het mijn moeder vertellen? Ze was wel mijn vriendin. Gek om te moeten zeggen dat ze mijn vriendin was. Ik moet over Marjon in de verleden tijd praten. Ze is er niet meer. Ik besluit mijn moeder nog niets te vertellen. Ik wil haar niet onnodig ongerust maken.

De dagen kruipen voorbij. Niemand heeft het meer over Marjon. Haar dood wordt afgedaan als een afrekening vanwege haar dealen in drugs. Ze wordt vanaf nu letterlijk doodgezwegen. De pafferige Engelse madame heeft een nieuwe vriendin gevonden. Een jonge Duitse dame die onder invloed haar vriend heeft doodgeslagen op vakantie. Ze houdt vol dat het een ongeluk was. De Thaise autoriteiten geloven haar niet. Ze heeft levenslang gekregen. Net als ik.

Ik hoop dat ik ooit nog terug kan naar Nederland. Het uitleveringsverdrag wordt keer op keer uitgesteld. Ik ben nog steeds elke dag aan het overleven. Ik denk dat als de hel bestaat hij er zo uit moet zien. Bloedheet, vies, stinkend en mensonterend. Ik heb al mijn geloof verloren. Op deze plek bestaat geen religie. God heeft ons in de steek gelaten, en als ik om mij heen kijk heeft hij groot gelijk. Hoeveel jaar ik hier nu zit? Ik heb geen idee. Hoeveel jaar ik nog moet? Ook geen idee. Hier vervaagd al het tijdsbesef. Ik wilde zo graag de grens naar volwassenheid oversteken. Dat is in twee weken vakantie gelukt. Alleen het woord geluk is hier niet helemaal op zijn plaats. Binnen deze muren bestaan er geen grenzen,  het is leven en geleefd worden.
De grens tussen menselijkheid en dierlijk is hier flinter dun. En elke dag zie ik mensen over die grens heen gaan. Dan geldt het recht van de sterkste. Jagers worden prooien, en prooien worden jagers, en ook ik ben die grens over gegaan. Ik denk er niet veel aan, maar soms, als de slaap niet wil komen of het is mijn beurt om te waken, komen de beelden terug. Dan denk ik terug aan die ene nacht.

Ik sta in de hoek van de cel. Mijn rug stevig tegen de muur gedrukt. De lichtjes kunnen ieder moment weer uit het gat omhoog komen. Vannacht ben ik geen prooi. Ik ben een jager. Als ik de eerste lichtjes zie verschijnen hurk ik op mijn knieën neer. Ik wacht op de volgende. Zodra hij zijn kop uit het gat omhoog steekt pak ik hem in zijn nekvel. Hij probeert zich los te wurmen. Ik voel de natte, kleverige vacht in mijn handpalm plakken. Ik stop hem onder mijn trui waar ik hem met één hand in bedwang probeer te houden. Ik zie haar liggen. Ze ligt op haar zij. Ze slaapt. Ik stap over de andere slapende lichamen. In de hoeken scharrelen de andere wakende wat rond. Hier en daar hoor ik wat gekreun. Bij gebrek aan mannen zoeken ze hun genot bij elkaar. Uit mijn zak haal ik de gekartelde deksel van een conserven blikje,  dat ik tijdens het luchten heb kunnen ruilen voor vijf vitamine pillen. Ik haal met een beweging de deksel langs de keel van Marjon. Ik zie het bloed er uit stromen. Haar ogen schieten open. Ze kijkt me geschrokken aan. Ik druk mijn hand op haar mond en mijn knieën op haar armen. Mijn andere hand haalt de strubbelende rat om mijn trui vandaan. Ik druk zijn snuit in de open wond. Het bloed spuit eruit en de rat zit onder. Hij begint meteen gulzig het bloed op te likken.
Dan vinden zijn oogjes de bron. Hij kruipt naar de open wond en opent zijn bek. Ik zie de vlijmscherpe tanden diep wegzinken in haar vlees. Ze probeert te gillen. Maar door het bloedverlies is ze al aan het verzwakken. Als ze langzaam buiten bewustzijn raakt sta ik op en haal ik nog een rat. Deze heeft geen instructie meer nodig. Hij duikt meteen op de open wond. Ik blijf nog tien minuten zitten. Als ik zie hoe de eerste rat zich al een weg naar binnen heeft gevreten en zijn halve lijf in haar keel heeft geduwd sta ik op. Ik loop naar het gat in de grond en duw daar het bebloede dekseltje in. Mijn handen was ik schoon met achtergebleven urine. Dan zoek ik een leeg plekje waar ik kan gaan liggen en draai me op mijn zij. Beelden van Ibiza komen in mijn hoofd op. Disco's en nachtclubs. Marjon en ik dansen ons een weg naar de volwassenheid.
‘Slaap zacht, Marjon.’

Aron van Dijk

Aäron van Dijk werkt bij een grote uitgeverij op de klantenservice. In zijn vrije tijd schrijft hij graag korte verhalen en dan met name thrillers. In december 2010 verscheen de bundel De foute priester met daarin zijn korte verhaal Liefhebben. Eerder schreef hij de Quillers Uitzending gemist en De eeuwige geloften en Uit liefde voor Henrica.



Bezoekersreacties:
Hannie (36) op 1 januari 2015:
Geweldig verhaal

Suradj Rajaram (24) op 8 december 2014:
Hallo, ik heb het hele stuk gelezen. Het werkt toch heel wat interesse op. Je leest eerst een stuk en vervolgens het volgende stuk tekst. Het is gewoon heel mooi geschreven. Groetjes Sur!