Statie
Door: Desiree Vos op 15 september 2010

Sommige skeletten kun je maar beter in de kast laten. Mits je er een tegenkomt, daar waar je ooit resoluut zijn benige gestalte achterliet. Waardoor die je met zijn knokkels bij de strot grijpt om je alsnog te wurgen. Niemand, niet eens zijzelf, had dus kunnen bevroeden hoe onverhoeds het verleden haar had weten te overvallen. Tot die dag.

Bij het naderen van een bocht was haar voet op de rem gegaan en had ze niet meer verder gekund. De auto en de wereld waren stil blijven staan. Vaag had ze haar nichtje nog horen roepen: “Tante Sophie, rij nou door… Tante?” Maar ze had met geen mogelijkheid nog een woord uit haar dichtgeknepen keel gekregen. Waar was ze ook al weer naar op weg geweest? Wat had ze voorheen allemaal gedaan? Het moest het leven van iemand anders zijn geweest. Niet het hare, dat abrupt geëindigd, of juist opnieuw begonnen leek bij het herkennen van die ene, op het eerste gezicht onbeduidende paal. Waarom hier, waarom juist nu, had ze verlamd van schrik nog gedacht, voordat de rest ook zwart geworden was. Een achterligger was uitgestapt. Waarschijnlijk in de veronderstelling dat de auto die op klaarlichte dag midden op de weg stilstond misschien panne had. Maar toen hij op het raam had geklopt en een vrouw met haar voorhoofd tegen het stuur had aangetroffen, naast een meisje dat met haar armpjes om de middel van de vrouw had gesnikt: “Mijn tante zegt niks meer tegen mij,” had hij meteen een ziekenwagen gebeld. Het ambulancepersoneel had de bestuurster een spierverslapper moeten toedienen, zodat haar verstijfde, om het stuur geklemde vingers en verstarde voeten van het stuur en de pedalen los konden komen.

De eerste week op de psychiatrische afdeling had ze in een soortgelijke apathische toestand doorgebracht. Tot Sophie langzaam maar zeker was begonnen te praten. In het begin voornamelijk tegen zichzelf, wanneer ze ’s nachts in haar ondergoed onrustig door de gang had gedoold. Dan had ze even stilgestaan, iets onverstaanbaars gemompeld en was weer verder gesjokt. Maar later ook tegen anderen: “Ga weg, jij stinkt,” had ze de enkeling die in haar buurt durfde te komen dan toegesist. Zo was ze te boek komen te staan als een afstandelijke, onvoorspelbare, soms agressieve patiënte met een haast onverklaarbare afkeer maar tegelijkertijd obsessie voor mannen. Regelmatig had ze zonder aanleiding het mannelijk personeel of medebewoners aangevallen of promescueus gedrag vertoond. De keer dat ze spiernaakt en onder de vermicelli hysterisch was afgevoerd, omdat ze tijdens de maaltijd op tafel was geklommen en zich in het bijzijn van de hele afdeling had uitgekleed, was een van de dieptepunten geweest. Maar het scheen haar niet te deren. Evenmin haar uiterlijk of persoonlijke hygiëne. Tien jaar ouder leek ze te zijn geworden. Verwilderd, met een angstaanjagend lege blik en verbeten trekken in haar ingevallen grauwe gezicht. Een schim van de stijlvolle, verzorgde diva die ze ooit moest zijn geweest. Gestript van al haar schoonheid en ratio had ze soms op de raarste momenten en plaatsen schaamteloos haar broek naar beneden getrokken om aanstalten te maken haar behoefte te doen. Soms met succes. Vanaf toen werd ze extra in de gaten gehouden. “Ik ben toch niet écht ziek? ” Had ze eens aan een psychiater gevraagd. Omdat ze de pillen die ze had gekregen telkens had uitgespuugd. Tijdens de enige keer dat ze bezoek toeliet had haar zus gezegd: “We zijn ons lam geschrokken. Ik weet niet of je het beseft, maar Ellis, het arme kind heeft dagen nachtmerries gehad door jouw achterlijke performance. Wat bezielde je in Godsnaam?” Sophie had geen respons gegeven. Alles had even grijs geleken als de kleurloze, geurloze en smaakloze wolk waarop ze doelloos ronddreef. Een schemerzone, waar alleen maar ondoden doolden. Wat zich daarbuiten afspeelde had geen impact meer. Maar tegen de tijd dat Sophie de depressieve, manische en schizofrene medebewoners eindelijk begon op te merken had ze gezegd: “Ik ben dit deprimerende gedoe hier zo zat,” en was het tijd voorzichtig de confrontatie aan te gaan. Het skelet dat haar op stond te wachten had geroepen. Ze zou het hebben aangekeken, omhelsd en voorbij zijn gereden.

In het schemerlicht staat een jonge vrouw met haar rug tegen een lantarenpaal. Haar kleding verhult weinig. De auto’s die stapvoets langsrijden ontgaan haar niet. Een blik, een knik. Het portier wordt geopend. En het is weer donker.

Desiree Vos

Desiree Vos is een 42-jarige alleenstaande moeder uit Den Bosch. Naast, en misschien wel dankzij, een enerverend maar genoegzaam leven is schrijven haar grootste passie en ambitie. Autodidact, maar gefascineerd door de drijfveren en zwakheden van mensen die hangen naar de donkere kant van het leven. Waardoor ze nooit gebrek aan inspiratie heeft.
Desiree heeft het verhaal gebaseerd op dit nieuwsbericht. Daarbij moest ze denken aan een dierbare vriendin die ooit iets soortgelijks meemaakte.



Bezoekersreacties:
Ciska Baar (69) op 12 november 2010:
Als collega quillerschrijfster neem ik de vrijheid om je te zeggen. Je kent me niet, ik heb Gevaarlijke tranen geschreven, maar daar gaat het nu niet om.Ik denk dat ik jou wel ken, omdat ik ondersteboven ben van je verhaal. Wanneer je bent wat je schrijft, dan ben jij intelligent, gevoelig en mysterieus. Wanneer ik een verhaal of boek lees word ik graag op het verkeerde been gezet en dat doe jij! Bedankt en ga door met schrijven. Ciska Baar.

Karin (53) op 19 september 2010:
zat al helemaal in het verhaal , nu de rest nog het leest heerlijk weg..

petronella miersma (39) op 15 september 2010:
You go girl!!!!! Erg mooi geschreven en ik wil er meer van zien !!:)

brenda van laarhoven (37) op 15 september 2010:
Mooi hoor schat weer iets op trots op te zijn ;-)

tamara (30) op 15 september 2010:
mooi stukje meis ....... dikke kus